HomeNieuws en feitenDeskundigheidInformatie over MeerWaardeContactZoekenPublicaties
Who's Online
Nu 10 bezoekers online
Levenscycli in beweging
dinsdag, 17 maart 2009

Sport kan beschouwd worden als een product dat aangeboden wordt op de markt voor beweging en vermaak. De consument koopt een mogelijkheid om actief en/of in competitie te kunnen bewegen, de actieve sportconsumptie, en ook geniet hij of zij van het kijken naar sport, de passieve consumptie. Op de bewegingsmarkt concurreert de georganiseerde sport, als aanbieder, met recreatieve sport en bijvoorbeeld fitness centra. Wat betreft de passieve sportconsumptie (kijken naar sport) concurreert sport met andere vormen van vermaak en uiteraard vrijetijdsbesteding in het algemeen.

 

Om een prognose te kunnen maken van de ontwikkeling van de sportconsumptie, is het van belang de factoren te identificeren die deze consumptie beïnvloeden. Daarbij is het concept van levenscycli bruikbaar. Met een levenscyclus van een fenomeen bedoel ik een bepaalde ontwikkeling (in de tijd) volgens een min of meer een vast patroon. Het is mogelijk om zowel voor takken van sport, als voor de sportconsument een cyclus op te stellen. De levenscyclus van de consument bepaalt de vraagzijde, dat wil zeggen: de in- en uitstroom in bepaalde takken van sport . De levenscyclus van de tak van sport bepaald de aanbod zijde: de vorm en inhoud van de takken van sport die worden aangeboden. Voor het gemak duiden we de cyclus van de consument aan als de ‘vraagcyclus naar sport’ en de cyclus van de tak van sport als de ‘aanbodcyclus van sport’.

De vraagcyclus (vraag naar sport)

 

De levenscyclus van een mens is baby - peuter – kleuter – kind – jong volwassene – volwassen – bejaard. Bij deze levensfasen horen verschillende behoeften aan sport en beweging. Er zijn typische jeugdsporten, zoals voetbal, judo, hockey. Dit betekent dat de instroom bij deze sporten vooral aan de onderkant plaatsvindt, en dat de uitstroom uit de sport bij de overgang van kind naar jong volwassene waarschijnlijk relatief groot is. Daarnaast zijn er typische ouderensporten, zoals sjoelen, bridge, fietsen, wandelen etc. De instroom in deze sporten is met name aan de bovenkant. De tijdspanne van de levenscyclus van de sportconsument is naar schatting zo’n 65 jaar (en is waarschijnlijk behoorlijk gestegen, gezien de toename in participatie bij ouderen). Mijn eerste hypothese is dat oudere sporten met name individueel gerichte sporten zijn. Zijn er, naast jeugd en ouderensporten, ook sporten die typisch voor volwassen zijn, met andere woorden, die een typische zijinstroom kennen? Mijn tweede hypothese is deze sporten inderdaad bestaan en dat dit vooral de semi-individuele sporten zijn, zoals tennis, tafeltennis, squash en dergelijke. Ik denk ook dat deze sporten met name sporters ontvangen uit andere sporten (teamsporten). Met name voor wat betreft studerenden kan ik me een dergelijke ontwikkeling goed voorstellen, omdat de thuisbasis met het oude voetbalteam wordt verlaten, en het eenvoudiger is om met mede studenten een duo sport te gaan beoefenen dan weer een nieuw team samen te stellen. Globaal gesteld zou je van een aantal belangrijke momenten in de ‘gemiddelde’ sportieve levenscyclus kunnen spreken: 1) de keuze als kind (tussen 4-10 jaar) 2a) de keuze als jong volwassen na het verlaten van het ouderlijk huis en (2b) eventueel na het stichten van een gezin (18-30) en 4) de keuze nadat de kinderen het huis hebben verlaten (ca. 50). Grofweg gesteld ziet de (hypothetische) vraagcyclus er dan zo uit: teamsport – semi-individuele sport – individuele sport. Uiteraard is dit een zeer grove voorstelling, en het is interessant om te onderzoeken of dit inderdaad een veelvoorkomend pad is en hoe precies de instroom en uitstroom van sporters tussen sporten verloopt (wellicht is hier onderzoek naar gedaan). Er zijn vanzelfsprekend nog allerlei nuances op dit patroon aan te brengen: verloopt het voor vrouwen min of meer hetzelfde als voor mannen? Wat is de rol van de huishoudsamenstelling: houdt kinderen krijgen in stoppen met sporten (kwantitatief) of stuurt het de keuze voor bepaalde sporten (kwalitatief)? Of nemen kinderen de sporten van de ouders over? Een derde hypothese die ik hier wil poneren is dat de georganiseerde sport met name marktaandeel is kwijtgeraakt bij de volwassenen, de zij instromers. Dit zou kunnen verklaren waarom met name de semi-individuele sporten achteruit zijn gegaan in ledenaantal. Tenslotte is het denkbaar dat het kijken naar sport ook een zekere leeftijdsafhankelijkheid kent. Ook is er ongetwijfeld een verband met het actief beoefenen van een bepaalde sport. Ik kan me goed voorstellend dat de kans om passief voetbal te volgen op tv toeneemt als de consument zelf ooit junior voetballer is geweest. Andersom is er wellicht ook een relatie: als er veel media-aandacht voor een bepaalde sport is, neemt de kans op instroom toe. Mijn vierde hypothese is dat veel media-aandacht met name effect heeft op de jeugdinstroom. De relatie tussen media aandacht en sport instroom brengt ons bij het volgende onderwerp namelijk de aanbodcyclus van sport.

De levenscyclus van een tak van sport

Kijken we naar de sportcyclus van de consument, dan wordt het aanbod van sporten impliciet als min of meer constant beschouwt. Maar ook afzonderlijke takken van sport kennen een cyclus, een bepaalde dynamiek, groei, stagnatie en wellicht neergang. Een nieuwe hippe tak van sport kan veel sneller groeien dan een al lang bestaande sport. Daarnaast kan een langer bestaande sport ondersteunt worden door aansprekende internationale evenementen, terwijl een jonge sport nog maar een beperkt internationale spreiding kent. De cyclus kan eenvoudig zijn: opkomst, groei, stagnatie, neergang. Het kan ook een complex proces zijn waarbij bijvoorbeeld actieve sportbeoefening en passieve sportconsumptie elkaar wederzijds versterken en de sport in steeds nieuwe fasen en tot hogere ontplooiing komt. Idealiter kunnen voor een volledig ontplooide tak van sport de volgende fasen worden onderscheiden:

  1. De kiemperiode: eerste enthousiastelingen
  2. Groei van het aantal beoefenaren
  3. Standaardisering van de spelregels
  4. Nationale competities
  5. Internationalisering: beoefenaars in andere landen, oprichting internationale sportbond
  6. Erkenning GAISF, Internationale kampioenschappen
  7. Groei van het aantal toeschouwers, ontwikkeling tot passief product
  8. Media aandacht
  9. Professionele beoefenaars
  10. Mega events, competitie tussen steden om organiseren toernooien

Uiteraard zijn hier vele kanttekeningen bij te plaatsen: niet alle sporten maken alle fasen door, integendeel, het is slechts een kleine minderheid van takken van sport die het haalt tot fase 8. Ook de volgorde van de fasering is geen wet van meden en perzen. Er zijn sporten die in bepaalde landen tot op professioneel niveau beoefend worden terwijl er in andere landen weinig belangstelling voor is (denk aan honkbal in de VS of snooker in de UK). De aanbodcyclus speelt zich naar het zich laat aanzien, af over een langere periode dan de vraagcyclus: immers voetbal, de sport die het verst ontwikkeld is, heeft er zo’n 150 jaar over gedaan om tot deze positie te komen. Het is uiteraard ook de vraag hoeveel ruimte er überhaupt voor sporten nog bestaat om zich op de wijze van voetbal te ontplooien. Niet alle sporten in Nederland kunnen 1 miljoen leden halen. Op een gegeven moment zal de groei van één sport wellicht ten koste gaan van een andere. Ondanks de grote heterogeniteit in de werkelijke aanbodcycli, geeft het bovenstaande een handvat om te kunnen duiden in welke fase een bepaalde sport zit, en wellicht ook welke potentie de sport heeft om tot volledige ontplooiing te komen. Conclusie Willen we een prognose kunnen maken van de ontwikkeling van sporttakken op korte en lange termijn, dan bieden de concepten van vraag- en aanbodcyclus een goed handvat. Zo helpt de vraagcyclus bij het beantwoorden van de vraag welke ‘natuurlijke groei’ de bestaande takken van sport kunnen verwachten op basis van demografische ontwikkelingen, met name op korte en middellange termijn. Voortbordurend hierop is het dan ook mogelijk om te signaleren waar de georganiseerde sport werkelijk marktaandeel verliest, en welke verlies (of winst) een gevolg is van ‘natuurlijk vraagcyclisch verloop’. De aanbod cyclus biedt een handvat voor de dynamiek van takken van sport op langere termijn. Anderzijds biedt het op kortere termijn een kader voor het verklaren van de interactie tussen passieve en actieve sportconsumptie, de rol van de media, de gevolgen van succes bij toernooien en dergelijke. De benaderingen bieden zo gezamenlijk een aanzet tot een min of meer integrale theorie over de dynamiek van de sportmarkt op korte, middellange en lange termijn.

Gewijzigd op ( donderdag, 19 maart 2009 )
 
Volgende >